Boomkorvisserij is een visserijmethode waarbij aan zowel de bakboord- als aan de stuurboordkant van een viskotter -een boot speciaal voor de visserij- een sleepnet over de zeebodem wordt getrokken. Deze sleepnetten zijn door middel van een vislijn vastgemaakt aan de gieken; de lange balken die aan weerszijden van de boot uitsteken. De gieken zorgen ervoor dat de netten een aantal meter van de boot af in het water hangen, zodat ze niet in elkaar verstrikt kunnen raken.

De boomkorvisserij heeft zijn naam te danken aan de middelen waarmee gewerkt wordt. Zo werd vroeger de kor -het sleepnet- , opengehouden door een boomstam met aan de uiteinden zware sleeën die over de zeebodem gleden. Tegenwoordig zijn de boomstammen echter vervangen door metalen buizen en zijn de sleeën gemaakt van staal. De kor is een sleepnet met mazen van verschillende groottes. Aan het begin van de kor zijn de mazen namelijk groter dan aan het eind. Hierdoor kan ondermaatse vis ontsnappen en blijven alleen de grote vissen achter in de kor. De maaswijdte waarmee gevist wordt, is afhankelijk van het soort vis waar men op vist. Over het algemeen wordt echter een maaswijdte van tussen de 80 en 120 millimeter gehanteerd.

De vangst bij boomkorvisserij bestaat voornamelijk uit platvissen zoals schol, tong, schar en tarbot. Omdat platvissen zich vaak verschuilen in het zand op de zeebodem, zijn er aan de boomkor verschillende metalen kettingen bevestigd die ervoor zorgen dat de platvis als het ware uit het zand wordt gejaagd. Deze kettingen worden ook wel wekkerkettingen genoemd.

Boomkorvisserij wordt voornamelijk door de Nederlanders en Belgen beoefend, maar ook de Engelsen, de Ieren, de Duitsers en de Denen zijn actief in deze vorm van visserij. De Noordzee, het Kanaal, de Ierse Zee, de Golf van Biskaje en het Skagerrak zijn dan ook de voornaamste zeeën waar met behulp van boomkorren wordt gevist.